Het kabinet heeft een voorstel ingediend voor een nieuwe Huisvestingswet die dan in de plaats moet komen van de huidige Huisvestingswet. In dit artikel zal ik kort de belangrijkste wijzigingen en de achtergronden daarbij bespreken.
Het wetsvoorstel
Het kabinet stelt voorop de vrijheid voor eenieder om te wonen waar men wil. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk dat gemeenten kunnen sturen op de samenstelling van woonwijken, wanneer daar vanwege zwaarwegende omstandigheden aanleiding toe bestaat. Het kabinet noemt drie categorieën schaarste op de woningmarkt waarvoor de nieuwe Huisvestingswet regels moet stellen. Dat zijn: schaarste aan goedkope woonruimte in het algemeen, schaarste aan woonruimte met specifieke voorzieningen en schaarste aan woonruimte voor de eigen bevolking (in gebieden zonder nieuwbouwmogelijkheden).
In de huidige wettekst staat dat de gemeenteraad regels kan stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad. In het wetsvoorstel wordt die ruimte voor gemeenten ingeperkt. De gemeenteraad mag dergelijke regels alleen stellen als dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte of voor de bevordering van de leefbaarheid. Dit komt tot uitdrukking in artikel 7 dat expliciet bepaalt dat het vergunningensysteem gericht is op verdeling van goedkope woonruimte. De term “goedkoop” wordt verder niet gedefinieerd, voortaan zou het namelijk aan de gemeenten worden gelaten welke huurprijsgrenzen gelden. Dit is een groot verschil met de huidige situatie, waarin de Huisvestingswet de huurprijsgrenzen stelt aan de hand van de landelijke huurtoeslaggrenzen.
Voorts biedt het nieuwe artikel 14 de mogelijkheid voor gemeenten om voor bepaalde wooncomplexen en straten te bepalen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang wordt verleend aan personen met bepaalde sociale kenmerken. Artikel 15 bevat een regeling die bevordert dat in bepaalde gevallen de gemeente bij de verdeling van huisvestingsvergunningen voor nieuw gebouwde woningen de “eigen inwoners” kan laten voorgaan. De nieuwe wet geeft dus nogal ingrijpende mogelijkheden voor gemeenten om in te grijpen in de wijze waarop woonruimte onder haar inwoners wordt verdeeld.
Opvallend is verder dat de mogelijkheid tot vordering van leegstaande woningen geschrapt wordt. Van deze bevoegdheid wordt volgens de minister namelijk niet of nauwelijks gebruik gemaakt. De prestatieafspraken ten slotte, die zijn vastgelegd in overeenkomsten tussen gemeenten en corporaties over het soort woningen dat woningcorporaties moeten bouwen, zijn met het nieuwe voorstel van de baan. Als de gemeenteraad een voorkeur heeft voor een type woningbouw voor een bepaald type bevolkingsgroep, moet hij dit in de Huisvestingsverordening regelen.
Conclusie
Mijn verwachting is dat het bovengenoemde artikel 14 wel tot kamervragen zal leiden. Dat gaat immers over de vraag of de verlening van een huisvestingsvergunning mag/moet afhangen van sociale kenmerken. Ook de bepaling over de huurprijsgrenzen is nieuw en leidt wellicht tot kamervragen. De vraag zal dan immers zijn wat precies goedkope woonruimte is.
Hierover wordt nogal eens verschillend gedacht en dat kan leiden tot grote verschillen tussen gemeenten. Als dat doorgaat zal dat in ieder geval even wennen zijn, nu tot nu toe sinds jaar en dag voor het hele land dezelfde heldere grenzen gelden.
Wout-Jeroen Leenders