De vakorganisatie FNV bondgenoten en CNV Bedrijvenbonden verlangen van een drietal tot dezelfde groep behorende metaalbedrijven X dat eenzijdige wijzigingen in de opbouw van het loon terug wordt gedraaid.
De ondernemingen van X concern houden zich bezig met het leveren, plaatsen en/of onderhouden van elektrotechnische en werktuigbouwkundige installaties en brandblussystemen. Bij X werken in totaal 150 werknemers. Op de arbeidsovereenkomsten is de CAO Metaal- en Technische Bedrijfstakken van toepassing. In de individuele arbeidsovereenkomst van de werknemers komt een beding voor met de volgende tekst:
"Het genoemde bruto salaris is zodanig vastgesteld dat de door u benodigde reistijden hierin zijn begrepen. Dat betekent dat u geen aanspraak kunt maken op vergoeding van gemaakte reistijden".
In de arbeidsovereenkomsten van werknemers van X wordt verwezen naar een introductiemap, die deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomsten. In de introductiemap staat bepaald, dat de bij X op basis van een arbeidsovereenkomst werkzame werknemers geen reisurenvergoeding kennen, daar in het vaste salaris een verhoging is opgenomen ter derving van reisuren. Deze regeling geldt niet voor werknemers die vanaf 1 januari 2004 in dienst zijn genomen.
In een brief van 29 december 2004 maakt X haar werknemers kenbaar, dat een salaris waarin een bedrag voor reisuren is opgenomen, binnen de branche ongebruikelijk is. Teneinde in de toekomst marktconform te kunnen blijven werken, is in overleg met de Ondernemingsraad besloten het salaris uit te splitsen in een salarisdeel volgens de CAO en een deel voor reisuren. Het deel voor reisuren zal apart op de loonstrook zichtbaar worden gemaakt. Over het deel voor reisuren zullen er vanaf 1 januari geen vakantierechten meer worden uitbetaald, het zal geen grondslag meer zijn voor de pensioen- en prepensioenopbouw zonder dat het totale bruto bedrag overigens wijzigt, aldus X. De netto verlaging van de vakantierechten wordt voor de werknemer gecompenseerd door het minder betalen van pensioen- en pensioenpremie. Dit resulteert erin, dat de werknemer er maandelijks netto op vooruitgaat, maar dat het bedrag aan vakantiegeld, dat in de maand juni wordt uitgekeerd, lager zal zijn. Het gevolg is wel dat de opbouw voor het pensioen lager wordt. Om medewerkers, die al wat dichter bij de prepensioenleeftijd zitten niet direct een lager prepensioen te laten krijgen, is er besloten om medewerkers, die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder zijn, van deze regeling uit te sluiten, aldus nog steeds bedrijf X.
De bonden starten een vordering op de voet van artikel 3: 305 a BW (collectieve actie). Zij stellen, dat voor de werknemers die op 1 januari 2005 nog geen 55 jaar oud waren, de wijziging tot gevolg heeft dat het loon, dat de basis vormt voor de berekening van onder meer het loon bij ziekte, de pensioenopbouw en de vakantietoeslag (het basisloon) € 200,-- tot € 800,-- per maand lager uitvalt. De eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden brengt voor de werknemers die een hypotheek wensen (over) te sluiten nadelige gevolgen met zich mee, aldus nog steeds de vakbonden. De vakbonden stellen dat die werknemers na 5 dagen ziekte alleen nog een basissalaris ontvangen ( het vóór 1 januari 2005 verdiende salaris verminderd met het deel, dat thans als reistijdenvergoeding wordt aangemerkt), dat zij nog slechts over het basisloon berekende vakantietoeslag ontvangen, dat de (pre)pensioenopbouw minder is en dat voortaan ook de overwerktoeslag over slechts het basissalaris wordt berekend. Er is per saldo sprake van een onacceptabele verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.
Bedrijf X betwist bij de kantonrechter allereerst het spoedeisende karakter van de vordering. Deze gaat daar niet op in, nu tussen de bonden en werkgever in de voorafgaande periode overleg is geweest, de bonden tijd nodig hebben gehad om te overleggen met hun leden, dit alles teneinde een eventuele procedure te voorkomen. Bedrijf X stelt tevens, dat zij een zwaarwichtig belang heeft bij deze wijziging van de arbeidsvoorwaarden, namelijk een bedrijfseconomisch belang om te voorkomen dat de concurrentiepositie van X wordt prijsgegeven en om de werkgelegenheid te behouden als ook het belang bij herstructurering van de onderneming.
Op dit punt constateert de kantonrechter, dat niet ter discussie is dat de belangen van werknemers vóór 1 januari 2004 in dienst getreden en op 1 januari 2005 nog geen 55 jaar oud, worden geschaad. Weliswaar ontvangen die werknemers in beginsel per maand (ongeveer) evenveel als zij vóór 1 januari 2005 ontvingen, maar nu 20% van het loon niet meer als loon maar als reistijdenvergoeding wordt aangemerkt, heeft die maatregel consequenties voor de hoogte van de vakantiebijslag, de (pre)pensioenopbouw en de vergoeding van overwerk.
De kantonrechter constateert, dat tussen partijen niet in discussie is dat er in de individuele arbeidsovereenkomsten en/of de introductiemap een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen. De maatstaf om te beoordelen of de eenzijdige wijzigingen door de beugel kunnen, is derhalve of X een zodanig zwaarwichtig belang had bij collectieve wijziging van die arbeidsoverwaarden, dat het belang van haar werknemers dat door de wijziging wordt geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moest wijken (artikel 7:613 BW). De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend.
De kantonrechter onderkent, dat X als gevolg van de omstandigheid dat concurrenten te maken hebben met lagere personeelskosten X qua prijsstellingen achterstand heeft op die concurrenten, als ook dat er met regelmaat opdrachten aan de neus van X voorbijgaan. X heeft in de ogen van de kantonrechter echter niet aannemelijk gemaakt, dat de voorgestelde maatregelen een (gedeeltelijke) oplossing voor deze problemen zijn. De kantonrechter denkt hardop en schrijft: 'aangenomen mag worden dat X voorafgaand aan de loonmaatregel heeft doorberekend wat de gevolgen daarvan zouden zijn, zowel voor haar individuele werknemers als voor het bedrijf, maar daarvan is de kantonrechter niet gebleken'. Evenmin is duidelijk tot welke besparingen de loonmaatregel leidt. Het ontbreekt de kantonrechter aan inzicht in de financiële konsekwenties van de maatregel. Dat de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden zou bijdragen aan het behoud van werkgelegenheid, zoals X stelt, is al helemaal niet aannemelijk geworden, aldus nog steeds de kantonrechter. Tot slot is de invoering van een uniform beloningssysteem voor alle ondernemingen binnen de groep van X niet voldoende zwaarwichtig, althans dat is niet aannemelijk geworden.
Dat de Ondernemingsraad van X met dit alles heeft ingestemd, doet aan het oordeel van de kantonrechter niet af. De slotsom is derhalve dat de eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden in strijd is met artikel 7:613 BW.
Kantonrechter Utrecht (Voorzieningenrechter), 26 juli 2005, nummer 417377 vv 05-289, JAR 2005, 201).
Commentaar mr Bert Bakhuis
Kan een werkgever eenzijdig de arbeidsvoorwaarden wijzigen? De omstandigheden die daarbij een rol spelen zijn, blijkens de literatuur en rechtspraak:
- heeft de Ondernemingsraad ingestemd, en de Vakbonden;
- is de wijziging tijdig aangekondigd;
- heeft er overleg plaatsgehad met de werknemers;
- is er een overgangsregeling getroffen;
- gaat het om primaire arbeidsvoorwaarden of secundaire arbeidsvoorwaarden;
- zijn de wijzigingen ingegeven met het oog op de concurrentiekracht van het bedrijf;
- vloeit de voorgestelde eenzijdige wijziging voort uit 'politieke', d.w.z. Haagse wetswijzigingen of wordt de wijziging beargumenteerd met het harmoniseren van arbeidsvoorwaarden?
Opvallend is, dat de Utrechtse kantonrechter X geen duimbreed geeft. X had het groene licht van de Ondernemingsraad. Daartegenover stond echter de late aankondiging - bij brief d.d. 29 december 2004 - terwijl de voorgestelde invoerdatum 1 januari 2005 was. De bonden en X hebben meer dan eens om de tafel gezeten, doch zijn niet tot een vergelijk gekomen. Harmonisering van arbeidsvoorwaarden is voor deze kantonrechter niet een zwaarwichtig belang terwijl het terugdringen van administratieve rompslomp wel als een serieus belang van de werkgever zou kunnen worden meegewogen. De kantonrechter hamert vooral op het ontbreken van inzicht in de financiële gevolgen voor zowel de individuele werknemers als X als bedrijf. Bedrijf X stond vanzelfsprekend voor de keuze met de billen bloot - kostenstructuur op tafel, hetgeen concurrentiegevoelige informatie is. Nu X de keus heeft gemaakt geen volledig inzicht te geven in de financiële gevolgen van de voorgestelde eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden, kan de kantonrechter dat als kapstok gebruiken om de eenzijdige wijziging als strijdig met artikel 7:613 BW te achten.Uitgangspunt is steeds dat een eenzijdige wijziging van een overeenkomst niet door de beugel kan. Artikel 7:613 BW verlangt een zodanig zwaarwichtig belang dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Afgezien van het instellen van hoger beroep blijft voor X niets anders over dan het 'doen uitsterven' van haar niet gewenste arbeidsvoorwaarden. Door nieuwe werknemers andere arbeidsvoorwaarden te bieden, lost het probleem zich naar verloop van (lange) tijd op. Of een dergelijke policy in strijd komt met het beginsel van 'gelijke monniken, gelijke kappen' is een andere - niet geheel uitgemaakte - vraag.